Reportage

Achter de schermen van een bioboerderij

Dirk Lammertyn kan je moeilijk een klassieke bioboer noemen. Met zijn vzw De Lochting in Roeselare doet hij al jaren aan bioteelt, maar biedt hij ook werkkansen aan mensen die om welke reden dan ook niet terechtkunnen in het normale arbeidscircuit. Een biobedrijf met een hart voor de natuur én de mens dus. Twintig jaar geleden maakte hij bewust deze keuze.


“We leven meer met de natuur mee. Soms vervelend, maar wel een pak boeiender”

Vanwaar de keuze om als bioboer te beginnen?
Twintig jaar geleden werkte ik als ingenieur in de textielindustrie. Toch had ik het gevoel dat er iets ontbrak. Ik wilde op mijn manier iets bijdragen aan onze maatschappij. Vanuit mijn interesse voor planten en telen werd ik uiteindelijk bioboer. En daar heb ik nog geen seconde spijt van: ik ga elke dag met hart en ziel werken. Sommige dingen kan je niet in cijfers of geld uitdrukken. Wat ik doe, voelt gewoon goed. Zo’n honderdtachtig mensen werken vandaag in en om De Lochting. Het gevoel dat ik nuttig bezig ben, geeft me een ongelofelijke voldoening.
 

Kan iedereen bioboer worden?
Je moet uiteraard allerhande labels verdienen voor je jezelf officieel bioboer mag noemen. Ik moest me aanmelden bij een controle-organisatie die me de regels van de biowetgeving oplegde.
Om van een gewoon landbouwbedrijf een biologisch bedrijf te maken, moet je als boer de grond ‘omschakelen’. Dat kan twee tot drie jaar duren. De bodem moet zich kunnen herstellen van het gebruik van chemische middelen en kunstmest. Daarnaast moeten je producten aan allerlei bionormen voldoen. Zo zijn chemische pesticiden verboden en mogen we enkel natuurlijke beschermingsmiddelen voor het gewas gebruiken, zoals insecten. De normen zijn veel strikter dan voor de reguliere landbouw.
 

Betekent dat ook dat je als bioboer een pak kwetsbaarder bent?
Absoluut. De kans op mislukte oogsten is bij ons groter omdat we minder mogelijkheden hebben om ziektes of plagen tegen te gaan. Zo zorgt de droogte van de zomer voor extra veel bladluizen in onze serres. Die zijn zo hardnekkig dat je ze moeilijk op een biologische manier kunt bestrijden. Dus krijg je op den duur producten die je niet meer kunt verkopen. We leven veel meer met de natuur mee. En daardoor overkomen ons dingen waar we geen vat op hebben. Vaak vervelend, maar ook veel boeiender.
 

Hoe worden jullie gecontroleerd?
We worden drie keer per jaar gecontroleerd. De controle-organisatie komt twee keer onaangekondigd langs om dan een grondstaal en een plantenstaal te nemen. Bij de derde aangekondigde controle nemen ze de volledige boekhouding onder de loep. Zo gaan ze na of ook alle hulpmiddelen die we aankopen (zoals meststoffen, kalk, plantgoed en zaden) biologisch gecertificeerd zijn.
 

Wat telen jullie allemaal?
We hebben 50 hectare volle grond en 5 hectare serres. Buiten telen we prei, pastinaak, rode biet, spruiten, savooi, wortelpeterselie, boerenkool en raap. Binnen gaat het vooral om lente-ui, koolrabi, warmoes, veldsla en witloof.
 

Hebben jullie het gevoel dat steeds meer mensen voor bio kiezen?
Zeker weten. Eind jaren negentig is de trend in gang gezet, na enkele crisissen zoals de dioxinecrisis en mond- en klauwzeer. Mensen werden zo wantrouwig tegenover voeding dat ze steeds vaker voor de biosector kozen. De laatste zeven jaar merken we dat de sector duurzaam blijft groeien. Het gezondheidsaspect speelt hierin een grote rol, maar ook de zorgen om het milieu en de eigen omgeving. De tendens om steeds vaker bij lokale telers te kopen is er zeker. En natuurlijk kiezen mensen ook duidelijk voor smaak. Een biowortel smaakt gewoon anders. Daar kan niemand nog omheen.

WIST-JE-DATJES OVER AARDAPPELEN >